Boekje De ‘vergeten’ oorlog, Nederlands-Indië 1942-1949

Onlangs verscheen het boekje De ‘vergeten’ oorlog, Nederlands Indië 1942 – 1949; geschreven op initiatief van Anneke Schults, voorzitter van HONI (Herdenking Oorlogslachtoffers Nederlands-Indië) in Den Bosch. Stichting Arjati ontving dit mooie informatieboekje dat wij direct omarmden. Graag willen we meer weten over de vrouw achter dit boekje Anneke Schults. Wie is zij en wat zijn haar drijfveren? Elly Hoed, vrijwilliger bij Stichting Arjati, ging bij Anneke op bezoek en schreef het volgende verslag.

Als meisje van 3 jaar in Jappenkamp

Anneke heeft als klein meisje van 3 samen met haar moeder in een jappenkamp gezeten. Meest grote deel van haar kindszijn, heeft zij heel de periode 1942-1949 meegemaakt. Zij en haar ouders hebben deze gruwelijke periode overleefd, wat heel veel andere oorlogsslachtoffers helaas niet gehaald hebben.

Op 4 mei herdenken wij in Nederland de oorlogsslachtoffers van de de Tweede Wereldoorlog. Op 15 augustus 2005 is HONI opgericht en wordt dat jaar in Den Bosch een Monument geplaatst op het terrein van de Grevelingen in Den Bosch voor de slachtoffers van deze ”vergeten oorlog In Nederlands-Indië”. Vanaf dat jaar vindt ieder jaar op 15 augustus deze herdenking voor alle Indië-gangers plaats.

Vergeten’ oorlog Nederlands-Indië

Om deze ‘vergeten’ oorlog in Nederlands-Indië onder de aandacht van eenieder te brengen die hierin geïnteresseerd is, maar vooral ook, heeft Anneke als voorzitter van HONI, dit praktisch info boekje gemaakt. Zij hoopt van harte dat vanaf nu dit boekje gebruikt gaat worden door het onderwijs, als aanvulling op de geschiedenisles voor de hoogste groep in het primair onderwijs en de onderbouw van het Voortgezet Onderwijs.

Het interview met Anneke

Het is een stralende zondagochtend, op de langste dag van het jaar, 21 juni, 10 minuten voor elf als mijn trein vanuit Breda het station in Rosmalen binnenrijdt. Om 11.00 uur heb ik afgesproken met Anneke Schults. Ik ken Anneke alleen nog maar van de telefoon, nog niet van zien, maar zij klonk al heel prettig door de telefoon. Ze woont samen met haar man, vijf minuten lopen van het station dus dat gaat lukken dacht ik.

Op dat moment gaat mijn telefoon en is het Anneke die er zeker van wil zijn dat haar gast niet hoeft te zoeken. Ik fiets jou wel tegemoet, zegt ze. Dan verdwaal je zeker niet. En binnen drie minuten zie ik een charmante verschijning nog pittig fietsend en zwaaiend mij tegemoetkomen. Met deze prachtige start van een ontmoeting begint onze zondagochtend. Tien minuten later zit ik aan een heerlijke cappuccino aan de grote tafel met uitzicht op een heerlijke zonovergoten tuin waar haar echtgenoot in alle rust zit te genieten van deze zondagochtend.

Tegenover mij zit Anneke, inmiddels 80 jaar, maar het is haar zeker niet aan te zien. Het eerste wat je als Nederlandse met Indische roots doet, in ieder geval ik, is goed kijken naar Annekes gezicht en zien of ik iets Indisch in haar herken. Ik meen het te herkennen aan haar ogen, nee jukbeenderen. Voor mij heeft ze zeker iets Indisch, stel ik vast.

Mijn eerste vraag aan Anneke gaat daar gelijk over. Nee, zegt Anneke, ik ben een volledige Nederlandse (Belanda, maleis voor Nederlandse). Mijn ouders zijn beiden Nederlands, maar ik ben geboren in Tjimahi/Bandung en heb tot mijn elfde jaar in Nederlands-Indië gewoond. Het Indisch zijn zit in mijn hart.  En inderdaad, Anneke heeft het Indische van die tijd over zich heen gekregen. Heel bijzonder, bij mij zie je het Indische gelijk van de buitenkant, alleen heb ik de andere kant, voor het overgrote gedeelte het Nederlandse over mij heen gekregen. Anneke en ik voelen ons vanaf het begin al gelijk senang bij elkaar.

Dan vertelt Anneke.

Mijn vader kwam uit een gezin met tien kinderen, een bakkersfamilie uit Waspik. Net 19 jaar koos hij voor het leger om naar Nederlands-Indië te gaan. Het was voor hem ook een soort van avontuur.

Halverwege zijn diensttijd mocht hij met verlof naar Nederland waar hij zeer vastberaden op zoek ging naar een echtgenote. Hij vond haar in de bijzondere vrouw die later mijn dappere moeder werd, waar ik vandaag de dag nog steeds heel veel aan te danken heb. Gelukkig niet wetende wat haar allemaal nog te wachten stond, ging zij vol goede moed met haar man mee naar Nederlands-Indië, samen met hem het avontuur tegemoet.

Japan valt Nederlands -Indië binnen

Drie jaar later brak de oorlog uit en werd Nederlands- Indië bezet door Japan. Mijn vader werd als krijgsgevangene op transport naar de Pakan Baroe spoorweg gezet. Kort daarna werd ik als driejarig meisje met mijn moeder vanuit Bandung met een grote vrachtwagen weggevoerd. Wij mochten alleen meenemen wat wij konden dragen en zo nam ik mijn kleine poppenwagen mee om onze schamele bezittingen in te doen. Toen wij weggevoerd werden, was het laatste wat ik nog hoorde, het janken van onze herdershond.

Na een eindeloos lange afschuwelijke treinreis van warmte, honger en dorst wat voor een volwassene al nauwelijks te verdragen is, laat staan klein meisje van drie, in opeengepakte wagons, kwamen wij terecht in het Tjidengkamp. Het Tjidengkamp onder leiding van commandant Sonei was een verschrikking. Ik bleef daar drie jaar samen met mijn moeder en duizenden andere vrouwen met hun kinderen gevangen. Samengehokt in kleine ruimtes., waar ruzies niet uitbleven. Ik maakte kennis met het gedek (de grens om het kamp heen) kumpulan (midden in de nacht verplichte bijeenkomst van de Japanse Commandant waar wij uren in een rij moesten buigen en nog eens buigen), vrouwengemeenschap, vechtpartijen, honger, ziekte en straffen van de Jap.

Ik herinner me van mezelf dat ik in het kamp een wezentje was, dat altijd honger had. Dat trots thuiskwam met een kikker of een slak, want dan was er extra eten. Dat drie jaar op blote voeten liep. Dat altijd op moest passen voor de Jap. Ik herinner me mijn moeder en de vele andere vrouwen die ondanks hun ellende toch nog konden lachen en praten over het einde van de oorlog en de vrijheid. De vrijheid waardoor je overal naar toe kunt waar jij wilt gaan, je vrij kunnen bewegen, praten met wie je wilt, zeggen wat je wilt. Niet bang hoeven te zijn voor een ander. Geen honger meer!!!

Het gedek was de grens, een muur van gevlochten bamboe om het kamp heen. Daarachter, zeggen de grote mensen, kun je staan en gaan waar je wilt. Daar ligt de vrijheid. Maar wat is vrijheid? denk ik als klein meisje, inmiddels rond vijf jaar. Ik ben toch vrij in de kamer waar wij met tienen leven. Ik heb het plaatsje in het bed waar ik met mammie slaap.

Ik heb mijn geheime plekken in de tuin en in de boom waar ik mijn steentjes in bewaar. Achter het gedek woont de Jap. Wonen die in vrijheid? Hier in het kamp zie ik achter het gedek een grote berg. Zouden de grote mensen dat soms bedoelen, dat die mooie berg vrijheid is? Maar bij het gedek mag ik niet komen. ammie zegt dat het daar gevaarlijk is.

Bevrijding

Ze zeggen dat de oorlog voorbij is, maar ik begrijp het niet. Wat is oorlog eigenlijk? Mijn vriendje Bennie zegt dat wij gewonnen hebben en de Jappen verloren. Maar hij en ik hebben toch niet gevochten met de Jap. Hoe kunnen wij dan gewonnen hebben…? De Jappen zijn er nog steeds maar wij hoeven niet meer te buigen. We krijgen eten uit groene blikken van het Rode Kruis. Een heleboel mensen worden er ziek van en sommigen gaan dood. Pas later besef ik dat dit kwam omdat merendeel van ons ondervoed was. Wat op dat moment voor mij nog erger was, een heleboel mensen kregen brieven dat hun vader dood is.

Iedere dag komen vrachtwagens met mannen het kamp ingereden. Éen van de mannen moet jouw vader zijn, zegt mammie. Ik weet het niet, ik begrijp het niet. ”mijn pappie zit toch in onze koffer en elke avond kijk ik naar zijn foto” Ik ben een beetje bang voor zo’n vreemde man. Ik zal goed op mammie letten, naar wie zij toeloopt, dat is hem. Als hij maar niet merkt, dat ik niet weet wie hij is.

Na de bevrijding kan ik mij nog wat dingen herinneren. Wij mochten in 1946 voor een paar maanden op verlof naar Nederland om aan te sterken. Ik kan mij herinneren dat wij bij mijn oma ergens in een bovenhuis in Utrecht hebben gelogeerd samen met twee vrijgezelle zusters van mijn vader. Het was een strenge winter. Zij kwamen ook net uit de oorlog. En het was moeilijk om met drie extra mensen waaronder een kind van zeven te overleven. Na 2 maanden moesten wij naar andere familieleden die ons toen opvingen. Daarna moest mijn vader weer terug naar Nederlands-Indië, terug naar het KNIL waar hij hoefsmid bij de cavalerie werd.

Poesaka van Anneke: een asbak in de vorm van een hoefijzer. De enige herinnering van haar vader die hoefsmid was bij de cavalerie van het KNIL. Dit hebben ze terug kunnen vinden uit de inboedel in Bandung.

Wij mochten weer terug in ons huis aan de Papandajanlaan in Bandung wonen. Al onze spullen waren er niet meer maar maar mijn ouders slaagden erin weer een nieuw bestaan op te bouwen. Ik mocht naar school bij de Urselines (een nonnenorde die door heel Nederlands-Indië zat en nu, anno 2020 nog zit).

Ik herinner mij ook heel goed dat wij elke zondag naar de kerk gingen en na de kerk gingen wij dan altijd een saussijzenbroodje eten bij de Hollandse Lunchroom Bogarije aan de Bragaweg. Deze lunchroom bestaat nog steeds. Dat waren mooie momenten, ondanks wat er zich op dat moment, elders in Nederlands-Indië afspeelde. Bandung bleef hiervan nog even gespaard.

Op een dag dat ik op school zat, moesten wij van de nonnen allemaal op de grond liggen want er werd buiten en op de gang geschoten. De strijd om de onafhankelijkheid was weer losgebroken. Ik werd van school gehaald met een soort legervrachtwagen en moest voorin naast de chauffeur op de grond blijven zitten. Heel stiekem ging ik even omhoog om te kijken. Ik zag de inlanders naar de dessa rennen, zag inlanders dood op straat liggen. Het heeft veel indruk bij mij achtergelaten.

Het moet dan ergens 1949 zijn geweest. Ik was inmiddels tien jaar.

27 december 1949 erkenning Republiek Indonesië

Dat jaar op 27 december 1949 werd de Republiek Indonesië officieel erkend door Nederland. Daarna hoorden wij net als alle andere Nederlanders en Indische Nederlanders, dat wij allen zo snel mogelijk Indonesië moesten verlaten.

Voorgoed naar Nederland

In 1950 gingen wij met de boot de Oranje, terug naar Nederland. Daar werden wij eerst opgevangen in een opvangkamp in Vierlingsbeek, waar een jaar later later ook de Molukkers werden opgevangen. In Holland/Nederland zat er niemand op ons te wachten want ook hier was iedereen bezig om na de Tweede Wereldoorlog onder bezetting door de Duitsers, een nieuw bestaan op te bouwen. Er was woningnood en werkloosheid. Na zes maanden opgevangen te zijn in  Vierlingsbeek, waar wij twee kamertjes hadden en vanuit een gezamenlijke keuken ons eten kregen, kwamen wij uiteindelijk in Den Bosch terecht. Mijn vader slaagde er in een baan te vinden en ook een huis voor onszelf. Weliswaar nog een noodwoning, maar eindelijk was er rust in ons leven gekomen. Ik was toen elf jaar oud.

Verspreiding van het boekje De ‘vergeten’ oorlog

De bedoeling is dat het informatieboekje verspreid wordt in de scholen voor de jeugd van 12-15 jaar, zodat deze periode en ook 15 augustus als Nationale Herdenking meer aandacht krijgt.

HONI biedt het informatieboekje te koop aan voor 1 euro per stuk. Te bestellen bij het secretariaat HONI 42-49. Email: info@honi.nl of telefonisch 06 48813929.

Het informatieboekje is ook te koop bij het Indisch Museum, selamanya di dalam hatiku, in Breda. Helaas op dit moment vanwege de corona maatregelen, alleen te bezoeken op afspraak. U kunt reserveren via email: indischmuseum@arjati.nl of  telefonisch en via whatsapp: secretariaat Indisch Museum Ellen van Nispen: 06-28546890.

1 reactie op “Boekje De ‘vergeten’ oorlog, Nederlands-Indië 1942-1949

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.