15 Augustus 2018: Indië Herdenking Breda

Een mooie, gedenkwaardige dag. Dat werd door velen gezegd na afloop van de Indië Herdenking in Breda. Stichting Arjati voelt zich ontroerd door de  vele mooie woorden en bedankjes. Met de aanwezigheid van meer dan 500 mensen bij het Indië monument in Breda  blijkt de behoefte aan herdenken op 15 Augustus groot. Zo lang deze behoefte er is, blijft Stichting Arjati de herdenking organiseren. Dus ook volgend jaar 15 Augustus 2019.

 

Herinnering wordt geschiedenis

 

Na een lange warme periode begint het weer in de week van de herdenking om te slaan. Een onduidelijk beeld van wat het weer ons zal brengen. Het lijkt wel alsof 15 Augustus een dag is, waar allerlei verschillende weertypen elkaar moeten passeren. Maar dit zijn we inmiddels gewend. Zon, wind of regen; we zijn overal op voorbereid.  De mooie grote tent, die eerder deze week met hulp van medewerkers en vrijwilligers van Raffy en Arjati is opgebouwd, zal de bezoekers de nodige beschutting geven. Op de dag zelf worden nog een aantal parasols geplaatst om de cameramensen en sprekers tegen mogelijke regenbuien te beschermen. Het blijkt achteraf niet nodig. Het blijft droog.

De laatste voorbereidingen worden getroffen en het een en ander nog met elkaar doorgesproken. We zijn er klaar voor.

 

 

De eerste bezoekers melden zich tegen 11.00 uur. Daar worden ze gastvrij ontvangen door Jim en militairen van de Groep Luchtmacht Reserve. Langzaamaan wordt het drukker en drukker en tegen 13.00 uur gaan de eersten richting tent, waar ze naar hun plaatsen begeleid worden door Renée, Carina en Ernst. Sommigen kiezen ervoor om binnen te blijven en daar vullen alle ruimtes zich. Geen stoel is onbezet.

Om 13.50 uur begint het Raffykoor met het lied Rangkaian Melati gevolgd door het lied Zonnetje gaat van ons scheiden.Voor de oudere generatie een lied, dat verwees naar de wens dat het zonnetje (de Japanse bol) maar snel mocht verdwijnen.

Dan wordt gestart met het luiden van de klok door één van de wapenbroeders en het geroezemoes neemt af. Langzaamaan wordt het stil, doodstil. Nadat de burgemeester, de heer Depla door Gert van de Pluijm, directeur van Woonzorgcentrum Raffy, en Magda Wallenburg, voorzitter van Stichting Arjati, naar zijn plaats is begeleid, heet Dewi van Hoek iedereen welkom en gaat dieper in op het thema ‘herinnering wordt geschiedenis’.

 

Nederlands-Indië bestaat nu enkel nog in de herinneringen van enkelen en komt deels terug in de geschiedenis boeken. Het land van de gemengde gevoelens en herinneringen. Het land waar je als kind naar school ging, buiten speelde en knikkerde met vriendjes om vervolgens later aan te schuiven voor de avondmaal bij vaders en moeders. Het land waar je warme gevoelens over koestert maar die van de ene op andere dag teniet worden gedaan met het uitbreken van de oorlog. Een tijd waarin gezinnen uit elkaar werden gerukt en het nog maar de vraag was of je je geliefden ooit nog eens terug zou zien. In heel veel gevallen is het enkel de foto, de kleding of mogelijk alleen de geur die je als herinnering hebt van deze geliefde……

 Het thema van de herdenking van dit jaar is dan ook ‘de herinnering wordt geschiedenis’. Voor Stichting Arjati een belangrijk thema omdat diegenen die de oorlog hebben moeten ervaren, de eerste generatie, steeds minder bij ons in het midden zijn.  Stichting Arjati heeft als doel om deze herinneringen en verhalen van deze generatie een plek te geven in de Nederlandse geschiedenis zodat deze herinneringen bewaard blijven. 

Het ophalen en of delen van herinneringen is iets waar Stichting Arjati naar streeft. Generaties worden met elkaar in contact gebracht en zij die opzoek zijn naar hun eigen geschiedenis kunnen aan de hand van deze herinneringen antwoorden vinden. Daarnaast kan het delen van deze herinneringen ook een helende kracht hebben. Zij, die gehoord willen worden, kunnen hun herinneringen en verhalen delen……

 

De herdenking is begonnen. Burgemeester Depla wordt als eerste gevraagd om zijn toespraak te houden.

Tuan Tuan dan Puan, (dames en heren)

Selemat Siang (goedenmiddag)

Vandaag herdenken we het einde van de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië. We herdenken alle mannen, vrouwen en kinderen die zijn gestorven onder de Japanse bezetting en de Bersiap-periode in Nederlands-Indië. En staan stil bij al die mensen waarvan het leven is getekend door deze periode. Juist door te herdenken, hier in de tuin van Raffy, blijft het verhaal van deze oorlog leven. Ik wil Stichting Arjati en woonzorgcentrum Raffy bedanken voor de inzet om deze herdenking mogelijk te maken.

Ik vind het ook fijn dat jullie, leerlingen van basisschool De Kievitsloop, vandaag aanwezig zijn. Daarmee laten jullie – zeker in jullie vakantie – zien deze herdenking ook belangrijk te vinden.

Zowel in Nederland als in Nederlands-Indië werd tijdens de Tweede Wereldoorlog verzet gepleegd. Men legde zich – met gevaar voor eigen leven – niet neer bij het feit dat een vreemde mogendheid het land had bezet. Ondanks al hetgeen de jonge mannen, vrouwen en zelfs kinderen, militairen, burgers, verzetslieden en gevangenen in kampen in Nederlands-Indië hebben meegemaakt bleken velen over enorme wilskracht te beschikken. Ook de kracht om tijdens de onvoorstelbare ontberingen, hoop te houden op een vrije toekomst, bleek bij velen steeds opnieuw aanwezig.

Op een middag als deze realiseer ik mij dat ik tot een bevoorrechte generatie Nederlanders behoor. Een generatie die nooit een oorlog heeft meegemaakt. Een steeds groter deel van onze bevolking kent de verhalen van de verschrikkingen in Nederlands-Indië alleen uit overlevering. Wanneer we overlevenden aan het woord laten of verhalen van overlevenden worden verteld, worden het persoonlijke herinneringen die een diepe indruk op ons maken.

Ik heb de afgelopen tijd met vele veteranen gesproken en de persoonlijke verhalen raken mij. Herinneren mij aan de verhalen die mijn schoonvader vertelde over deze periode.

Uit de verhalen wordt mij duidelijk dat ieder herdenkt op zijn of haar eigen manier. En ieder staat stil bij wat hem of haar persoonlijk het meeste raakt. Ik ben dan ook dankbaar dat Jasper Kunstt en zijn schoonmoeder Ida Renwarin, Arie Mosies en zijn kleindochter en Elly Hoed vandaag hun verhalen met ons willen delen. 

Laten we inspiratie putten uit deze verhalen. Inspiratie voor onze en komende generaties. Inspiratie voor het overbrengen van verhalen.Daarom vind ik het ook zo mooi dat ik in maart van dit jaar het Indische Kamermuseum heb mogen openen. Een plek waar het Nederlands-Indisch cultuur erfgoed bewaard wordt en gevonden kan worden. Een plek om te koesteren. Een plek waar de geschiedenis van Nederlands-Indië doorgegeven kan worden aan onze kinderen en kleinkinderen.

Ook is eerder dit jaar de voor de Molukse gemeenschap zo belangrijke drieluik “kerk-plein-buurthuis Toma” weer volledig in ere hersteld en in gebruik genomen. Nog een mooi voorbeeld waar men elkaar in Breda kan ontmoeten en waar verhalen verteld kunnen worden. Ik ben er trots op dat dit allemaal wordt gerealiseerd in Breda.

Ik heb begrepen dat vele leerlingen het Indische Kamermuseum al hebben bezocht. Ik hoop dat onze jeugd de gedachte laat gaan over deze bijzondere geschiedenis en hier met elkaar over praat.

Want het overbrengen van verhalen is van het allergrootste belang. Ook de bronzen sculptuur, hier in de tuin van huize Raffy, staat hier symbool voor. Het symboliseert twee mensen, die de Tweede Wereldoorlog en de Bersiapperiode in het voormalige Nederlands-Indië hebben overleefd en naar elkaars verhaal luisteren.

Het stromende water staat symbool voor het doorgeven van onze cultuur en levenservaringen aan een volgende generatie en daarmee voor de kringloop van het leven.

We hebben de verhalen nodig om ons in te kunnen leven en medeleven te voelen en ons te verplaatsen in hen die zijn getroffen. In hen die de oorlog, vervolging en wanhoop hebben meegemaakt. En die hun thuis en thuisland noodgedwongen moesten verlaten.

Vandaag de dag mogen we hier leven in vrijheid. Vrijheid waar hard voor is gevochten. Waar mensen hun leven voor hebben gegeven. Vrijheid is niet vanzelfsprekend. Laten we de vrede koesteren en stilstaan bij alle gevallenen en slachtoffers. Laten wij denken aan hen die vielen voor onze vrijheid. Op dat wij hen niet vergeten.

Ik sluit graag af met een gedicht van Lucebert. Een zeer toepasselijk gedicht omdat het gaat over de gezongen overlevering voor generatie na generatie: in het hart van de tijd.

De zeer oude zingt

“…Er is niet meer bij weinig

Noch is er minder

Nog is onzeker wat er was

Wat wordt, wordt willoos

Eerst als het is is het ernst

Het herinnert zich heilloos

En blijft ijlings

Alles van waarde is weerloos

Wordt van aanraakbaarheid rijk

En aan alles gelijk

Als het hart van de tijd

Als het hart van de tijd.

Alles van waarde is weerloos

Wordt van aanraakbaarheid rijk ….”

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Aansluitend zingt het Raffykoor het zeer toepasselijke nummer Memories. Het geeft ons tijd om de toespraak van de burgemeester tot ons te laten komen.

Dan wordt het woord gegeven aan Jasper Kunstt, die op zijn beurt weer het word doorgeeft aan zijn schoonmoeder Ida Renwarin.

Mijn naam is Jasper Kunstt. Zoon van een Indische vader en Hollandse moeder. Naar aanleiding van mijn plannen om een solo reis te maken naar Java is mij gevraagd vandaag te spreken tijdens de Indische herdenking. Voor mij een hele grote eer.

Mijn vader, Don Kunstt is in 1951 geboren te Semarang, Indonesië en in 1953 met zijn ouders en broers Rob en Peter naar Nederland gereisd, aan boord van de Johan van Oldebarneveldt. Ze zijn in Rotterdam aangekomen en hier in Breda opgevangen in een pension aan de Baronielaan, bij de familie Tak. Na twee jaar zijn ze in Bergen op Zoom gaan wonen. In 2000 overleed oma en in 2002 opa Kunstt. Een tijdperk liep ten einde. Een ‘Indisch deel’ verliet ons definitief en informatie ging daarmee verloren.

Mijn Opa en Oma Kunstt waren namelijk ‘stillen’. Indische Nederlanders die liever niet spraken over vroeger. Natuurlijk kregen we pasteitjes en risolles. We werden verwend met snoepjes uit de toko. Er stond een botol in de toilet. We aten ieder jaar met de familie bij restaurant Bali. Je mocht iemand niet ‘te vroeg’ feliciteren van Oma. Zo waren er zoveel ‘indische dingen’ en ook bijgelovige zaken. Maar er werd vrijwel niet gesproken of gerefereerd aan vroeger en er werd geen maleis gesproken. Het land waar zij vandaan kwamen, hun geliefde Nederlands-Indië was niet meer. Dus moeten we gaan voor de toekomst! Het is hier te doen, in Nederland.

Ik wil naar de geboortegrond van mijn voorouders. Ik wil ter plaatse dingen uitzoeken over mijn oma want helaas is er teveel onduidelijk over haar en haar tijd in Indië. Ik wil graag zien waar de familie precies heeft gewoond op Java. En tot slot zou ik het graf willen bezoeken van mijn overgrootvader Wien, hij die begin jaren 50 overleed in Jakarta en de reis naar Holland nooit heeft mogen meemaken.

De volgende informatie over mijn opa komt vanuit het Rode Kruis:
De heer Elias Kunstt, geboren in 1916, diende in het KNIL; rang Sergeant 1e klasse, stamboeknummer 34516. Hij is op Java krijgsgevangen genomen en op 29 januari 1943 kwam hij met Java Party 10 aan in Changi, Singapore. Op 17 oktober 1943 vertrok hij naar Tokio in Japan. Aan het einde van de oorlog was hij in Yokohama in, naar omstandigheden, goede gezondheid.’

Oma Kunstt heette Paulina, is in 1923 geboren in Tjomal, Pekalongan, te Java. Haar achternaam is Melson.Ze had een Ierse vader en naar het schijnt een Javaanse moeder. Ze werd door haar vader ondergebracht bij pleegouders. Ik zou hier graag meer over willen weten. Waarom werd ze door pleegouders opgevoed? Hoe heette haar moeder? Had ze broers of zussen? Waar was ze tijdens de oorlog?

Ik kan het me niet voorstellen maar over twee jaar, op mijn 37e zal ik zoals mijn opa op die leeftijd, Nederland moeten verlaten om elders te gaan wonen. Het is te gevaarlijk. Er is geen plaats meer voor ons in deze maatschappij. Ik moet zorgen voor mijn gezin en zorgen dat we naar een andere bestemming kunnen reizen. Na een lange weg vol veranderingen zal ik, de rest van mijn leven, NOOIT meer spreken over dit land waar ik geboren en getogen ben. Het land waar ik van hou en waar ik 37 jaar heb geleefd…

Wat een verdrietige, heftige en traumatische periode moet dit geweest zijn? Als je zo je leven vervolgt en niet meer achterom kan en wil kijken. Maar ja, er is niets meer om naar terug te keren.

Mijn familie is dan ook nooit terug geweest naar Indonesië. Als ik er wel eens naar vroeg kreeg ik te horen ‘Geen behoefte aan’, ‘Ik voel er niet veel bij’. Of ‘Ik ga liever naar Amerika’. Zoals bij vele Indo’s is ook bij ons een deel van de familie geëmigreerd naar de VS. Opa en oma zijn daar meermaals geweest, op vakantie bij familie in California en Florida. Maar Indonesië? Nee dank u!

Ik moet ‘daar’ toch een keer geweest zijn. Daar waar onze familie heerlijk gewoond moet hebben maar ook daar waar ze hebben geleden. Als ik met deze reis bezig ben voelt dit enerzijds heel positief maar anderzijds heerst ook een gevoel van pijn en verdriet. 

Mijn opa en oma hebben de oorlog, de Bersiap, de reis en de beginjaren in Holland overleefd. Zij zijn onderdeel van een groep ontzettende sterke mensen die zoveel hebben doorstaan. Voor mij zijn deze mensen helden.

Deze groep mensen voelt dat wellicht niet zo. Degenen die gestorven zijn tijdens de oorlog, zij die afgeslacht zijn daarna, zij die de reis naar Nederland niet hebben mogen meemaken, dat zijn degenen die eer en respect verdienen. 

Maar ik wil vandaag graag HEN herdenken die het gered hebben. Zij zijn hier deels aanwezig. Zij die de oorlog hebben meegemaakt. Zij die na de oorlog met haat, afgunst en geweld werden geconfronteerd. Zij die de reis hebben weten te regelen voor hun gezin en hen hebben weten op te voeden in het pension en daarna ergens in een woning in Nederland. Zij die te kampen hadden met heimwee, verlies en verdriet en daarnaast met onbegrip te maken kregen in ‘hun Holland’, het land waar ze altijd voor hadden gestreden, ieder op zijn eigen manier. Maar ook de kinderen, zij die alles hebben doorstaan en niet altijd kind konden zijn. Ook aan hen denken wij vandaag.

Deze hele groep, die zichzelf wegcijferde en zich bescheiden opstelde, zij die niemand tot last wilden zijn, die ervoor kozen om erbij te horen in Nederland, omdat ze al Nederlands waren in hun land en ondanks dat ze hier zo niet altijd werden gezien gingen ze door met hetgeen wat in hun optiek het beste was, voor hun kinderen en de toekomst. Bedankt lieve, dappere mensen voor jullie kracht om er voor ons allen het beste van te maken! Terima kasih banyak

Een van die sterke en dappere mensen is Antonia Renwarin-Renjaan. De oma van mijn vrouw Fana.
 Ik geef het woord nu dan ook graag over aan mijn lieve schoonmoeder, Ida Renwarin.

Dank u allen

 

Ik ben Ida Renwarin, trotse dochter van bapak Johannes Marcus Renwarin en mama Antonia Renjan. Mijn vader is geboren op 19 november 1925 te Faan, Kei-kecil-Kei-eilanden, de zuidoost Molukken. Als jonge jongen maakte hij daar de oorlog mee. Hij was enigst kind. Wat moet hij zich verantwoordelijk hebben gevoeld. 11 februari 1947 verliet hij zijn geboorte plaats Faan en tekende 13 mei 1947 voor het K.N.I.L. te Ambon. Hij vertrok naar Java. Veel later realiseerde ik me dat hij zich voor een nieuwe oorlog had aangemeld.

Mijn moeder, is geboren op 26 april 1932 te Meester Cornelis, Batavia. Ze was de oudste van 7 kinderen. Haar vader werkte in de gevangenis van Jakarta. Toen de oorlog uitbrak was ze pas 10 jaar. Mijn oma (die ik erg genoeg nooit gezien heb maar wel van foto’s ken), kleedde haar in een jutezak, haar gezicht werd wat zwart gemaakt zodat ze bij de Japanners niet opviel. In die tijd werden vele jonge meisjes zomaar van straat gepakt door de Japanners.

Mijn oma maakte eten voor de mensen in de interneringskampen want daar hadden ze bijna niets te eten. Mijn moeder smokkelde het etenswaar voor de mensen naar binnen zodat ze toch wat te eten binnen kregen. Dit heeft ze een tijd gedaan. Het was een zware tijd!

In de tijd van de politonele acties (1947-1950) leerde mijn vader mijn moeder kennen. Ze trouwden in december 1950. Na de politonele acties vertrokken zij met de S.S. Scout Brian-/Skaubryn op 14 april 1951 vanuit de havenstad in Surabaya richting Nederland. Op 9 mei 1951 vaarden ze de haven binnen van Rotterdam. Alle duizenden Molukkers die in Nederland kwamen moesten eerst naar de militaire kazerne in Amersfoort en vandaar werd voor verder transport geregeld naar andere plaatsen in het land. Mijn ouders gingen naar kamp Schattenberg, voorheen gevangenenkamp Westerbork.

Net als de meesten, dachten mijn ouders dat dit van tijdelijke aard was maar erg genoeg was dit voor velen niet zo! Na tweemaal verhuisd te zijn verhuisden mijn ouders vanuit de barakken in Nistelrode naar een stenen huis te Helmond met gezin; bestaande uit vader, moeder, 7 zonen en 5 dochters. Een ernstige ziekte maakte onverwachts een einde aan mijn vaders leven, hij is maar 48 geworden (veel te jong)! Mijn moeder werd op 42 jarige leeftijd weduwe en droeg de zorg voor haar 12 kinderen. Niets was haar teveel.

Per toeval kwamen we erachter dat ook mijn moeder – hoe jong ze ook was – dingen in de oorlog had meegemaakt, waar niet over gesproken werd. Tijdens een van familie gebeurde iets onverwachts. Het was heel gezellig totdat een viertal Molukse ouderen naar mijn moeder liepen en haar herkenden. Ze zeiden: jij bent toch Antonia Renjan? Jij was toch degene die voor ons eten smokkelde in de kampen? Mijn moeder keek ze aan en begon te huilen en de Molukse ouderen ook. Als jij er niet was dan waren we allang dood geweest. Ze waren mijn moeder zo dankbaar daarvoor. Mijn moeder heeft die avond ook niets meer gedaan als huilen want alles kwam weer naar boven. Ook in de bus naar huis was ze erg stil. Toen pas vertelde ze ons hoe het gegaan was en eerder deed ze dat niet!

Zoals je vaker ziet bij ouderen zag ik nu met mijn eigen ogen wat mijn moeder heeft meegemaakt en het niet verwerkt had. Mijn moeder had van oktober 2001 tot december 2002 op Raffy gewoond. Ze is op 70 jarige leeftijd overleden in Helmond.

Mijn ouders hebben hun leven/geluk voor ons opgeofferd zodat we een goed en beter leven zouden krijgen. Dankzij hun ben ik nu de mens geworden die ik nu ben: KEI – trots!

In totaal zijn we nu met 108 personen: SATU KAMPUNG

Dank je wel allemaal.

 

Men is zichtbaar geroerd door de woorden van Jasper en Ida. Dit wordt nog verder versterkt door een optreden van het Raffykoor aangevuld met 3 Molukse zangeressen en 2 tifa spelers. Samen zingen ze het lied Mamaee.

 

Elly Hoed is de volgende dappere spreekster. Zij vertelt over de ervaringen van haar moeder als klein meisje tijdens de Bersiap.

 

Wonderbaarlijke redding Bersiaptijd  

Ik ben van de 2 de generatie indische nederlanders. Geboren inNederland en vanaf kleins af aan geacht mijn Nederlands goed te kunnen spreken en een te zijn met de Nederlanders. Jullie zijn nu hier in Nederland, We leren jullie geen maleis, zei mijn moeder, Je valt toch al op met je kleur, dus zorg dat je verder nergens in opvalt….

Natuurlijk hoorden wij regelmatig als klein kind, wees blij dat jullie niet in het jappenkamp hebben gezeten…en wees blij dat je niet de korstjes die je vroeger weggooide aren later probeerde nog te vinden…  Pas rond mijn 40ste herinnerde ik mij ineens vaag dat mijn moeder op mijn 8ste mij ooit vertelde van haar vriendin Tineke Boogaard op de nonnenschool in Malang. Die ineens zomaar zonder afscheid verdween….

 

Toen vertelde mijn moeder mij het volgende indrukwekkende verhaal

Mijn vader, Inlandse moeder en arensader, stierf toen ik 8 jaar was. Oma bleef achter met mij en mijn 5 zussen van 2 ™ 12 jaar.Het was 1939 en oma als inlandse vrouw, niet getrouwd, had op dat moment geen inkomen meer. Om te zorgen dat mijn zussen en ik goed terecht

zouden komen, bracht ze ons allen naar de nonnen in Malang. Dat was een zwaar, triest, maar ook verstandig een zeer moedig besluit van mijn moeder. Voor de allerkleinsten Marie 4 en Sjennie 2, was het heel moeilijk.

In het klooster waren wij veilig en gingen daar ook naar school. Tijdens de jappentijd lieten de jappen de nonnen veelal met rust.En toen kwam de bersiap tijd, de tijd nadat japan zich overgaf en wij allen dachten dat wij weer vrij waren….Het leek wel alsof het toen voor

ons pas begon. Ik dacht aan mijn vriendin Tineke die inmiddels al 2 jaar buiten de poort

leefde waar het op dat moment niet meer veilig voor ons was. Het bleek dat zij destijds het klooster moest verlaten omdat ze arens was. Niemand had daarna nog iets van haar vernomen.

En dan ineens kregen wij het verschrikkelijke nieuws te horen dat Tineke Bogaard in de aren bij Malang samen met een nederlands gezin op een afschuwelijke wijze door de pemoeda’s (jonge Indonesiërs ) waren vermoord. Ze hadden geen enkele bescherming.Nog heb ik moeite dit te vertellen…

Vanaf dat moment stonden wij elke dag doodsangsten uit. En dan, nog geen maand na dit verschrikkelijke nieuws stond er ineens een angstaanjagende pemoeda, jonge Indonesiër, voor ons, in de tuin van het klooster waar ik op dat moment met 2 zusjes en vriendinnen

liep. Wij stonden als aan de grond genageld…luister, zei hij. Zorg dat jullie zsm de poort openen, want wij gaan het klooster in brand steken. Als jullie dit niet doen, dan verbranden jullie levend…

En ineens was hij weer weg…in paniek renden wij keihard naar Moeder overste om te zeggen dat ze de poort zsm open moest doen. Moeder overste bleef kalm. Riep alle nonnen bij elkaar en alle weesmeisjes. Luister zei ze, wij gaan allen naar de kerk, het huis van God, daar gebeurt ons niets en gaan wij bidden. Natuurlijk wist Moeder overste meer. Zij had de jonge Indonesiers met de klewangs en de puntige bamboestokken al rondom het klooster gezien..Zij wist dat onder geen enkel beding de poort open gedaan mocht worden. Gelijk zocht ik al mijn zussen op. Wij klampten elkaar vast en begonnen vanuit wanhoop te bidden…het werd aren het werd nacht. We moeten in are zijn gevallen….ineens, tijdens het ochtendgloren hoorden wij kanonnen geschal….en even later een harde klop op de kapeldeur .wij dachten arens laatste uur was geslagen….Maar de nonnen wisten beter…Moeder overste maakte de kapeldeur open en daar stonden ineens de KNIL’ers….En vooraan zag ik de Molukse KNIL’ers staan, allemaal in camouflagekleding…Wij waren gered!.

Nooit van mijn leven zal ik dit cruciale moment meer vergeten. Elke dag dat ik leef ben ik God, mijn moeder en moeder overste en de KNIL’ers hier nog dankbaar voor.

Dit verhaal wat ik u nu voor lees had ik u nooit kunnen vertellen als moeder overste niet zo heldhaftig was geweest en mijn moeder en alle andere weesmeisjes niet door de KNIL’ers waren gered. Dit herdenk ik vandaag.

Maar ik herdenk ook Tineke Boogaard en velen die dit geluk niet hebben gehad. Dat wij hen nooit zullen vergeten. Dat wij nog aren op 15 augustus hier bij stil mogen staan.

 

En dan komen Arie Mosies en zijn kleindochter Lise naar voren. Afwisselend vertelt Arie over zijn moeder en Lise over haar opa en overgrootvader. De toespraak, is een eerbetoon aan zijn moeder.

 

Goedemiddag dames en heren,

Het thema voor deze bijeenkomst: “Ter nagedachtenis aan alle mannen, vrouwen en kinderen die gestorven zijn ten gevolge van de Japanse bezetting en de Bersiapperiode”.

Enkele famileden van mij hebben deze perode niet overleefd, maar vandaag wil ik het hebben over diegenen die het net hebben overleefd. Ik wil samen met mijn kleindochter Lise, die veel interesse toont over wat er tussen 1941 en 1948 gebeurde in het voormalig Nederlands- Indië, betreffende periode in vogelvlucht belichten en met name willen wij mijn moeder een centrale plaats geven. Mijn moeder heeft na veel ellende voor gezorgd dat ik nu hier sta. Immers, bij mijn geboorte, in december 1941, was de Japanse inval op Sumatra een feit.

 =========================================================== LISE:

Mijn naam is Lise Mosies en ik heb vorig jaar over de oorlog in mijn klas een spreekbeurt gehouden. Ik heb eerder een tentoonstelling van de Stichting Arijati bezocht en kort geleden met mijn opa het Indisch Museum. Op de dag van de geboorte van mijn opa was zijn vader niet aanwezig. Hij was gemobiliseerd en op Java gestationeerd. Dit laatste wist zij vrouw toen niet.

===========================================================

De Japanse inval op Sumatra, waar ik in het stadje Tandjung Enim ter wereld kwam, zorgde op dat moment voor een behoorlijke chaos. Dit betekende o.a. dat, ondanks de toezegging van de dokter aan het adres van mijn vader, om mij bij mijn geboorte bij de Burgelijkestand aan te geven, dit door de chaothische tostanden, niet was gebeurd.

===========================================================LISE:

Mijn opa had dus geen geboorteakte en dit zorgde later voor veel problemen. Denk aan het vertrek naar Nederland en later bij zijn huwelijk.

===========================================================

Om het naderende Japanse leger voor te zijn, besloot mijn moeder om uit mijn geboorte stad te vluchten. Met een pasgeboren kind en zij zelf was toen pas 20 jaar, nam zij de laatste trein naar de kust om de oversteek te maken van Sumatra naar Java. Dit moet voor haar een helse tocht zijn geweest om op zo’n jonge leeftijd met een pas geboren kind op de vlucht te slaan. Ook omdat ze een borstabcest kreeg en zij mij niet kon voeden. Via Jakarta en Bandung eindigde de tocht in Jogja. In Jogja verbleven we gedurende de oorlogsjaren in een kamp voor daklozen en mensen zonder enig inkomen. Met heel, heel veel inspanningen heeft zij zich samen met mij het hoofd boven water weten te houden. Wat een sterke vrouw!

===========================================================LISE:

Mijn overgrootvader werd als krijgsgevangene op transport gezet naar Birma waar hij aan de beruchte spoorlijn te werk werd gesteld. Het was een zware tijd voor hem. Hier droomde hij van zijn zoon die hij nog niet gezien had. Zijn dagdromen over zijn vrouw en zoon legde hij vast via graffeerwerk op onder andere zijn tabaksdoosje, die tot op heden te zien is bij mijn opa thuis.

===========================================================

Na de Japanse capitulatie, was de ellende nog niet voorbij. De Bersiapperiode brak aan. Het bizarre was, dat de agressor, Japan, ons kamp nu moest beschermen tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Toch wilde mijn moeder haar schoonmoeder in Garut bezoeken. Immers ik was mijn oma’s eerste kleinkind die ze nog nooit gezien had. Op dat moment werd mijn moeder heel erg ziek en ging de reis naar Garut niet door. Dit was voor haar en voor mij, naar later bleek, een geluk, want als wij waren gegaan waren wij net als mijn oma en enkele kinderen van haar ook vermoord door de extremisten. Mijn oma, een rasechte Soendanese, was getrouwd met een Hollander en dat kon niet. Hun lichamen werden in een put gegooid.

===========================================================LISE:

Mijn overgrootvader had als krijgsgevangene de oorlog overleefd en kwam weer naar Indië terug, maar hij zat nog in het KNIL. Hij moest direct in Bali in actie komen om deze regio te zuiveren van de vrijheidsstrijders. Van Bali werd hij geplaatst naar Sumatra op een plaats vlakbij Palembang.

===========================================================

Dit wist mijn moeder niet en begon zij aan haar zoektocht naar haar man. Leefde hij nog en waar zat hij? Deze zoektocht duurde bijna 2 jaar. Via het Rode Kruis, waar mijn moeder elke dag naartoe ging, kreeg zij uiteindelijk te horen dat mijn vader op Pladju zat. Toen heeft ze met mij (ik was ondertussen bijna 6 jaar) de tocht ondernomen om van Java weer naar Sumatra te gaan. Nu realiseer ik mij, wat een sterke vrouw mijn moeder was, want zonder geld zijn wij er gekomen en was uiteindelijk de hereniging een feit.

===========================================================LISE:

Toen zag mijn opa voor het eerst zijn vader en andersom. Deze kennismaking verliep in het begin niet lekker. Mijn opa heeft heel lang niet met zijn vader gepraat, want een vaderfiguur was hem onbekend. Maar later is dit wel goed gekomen.

Namens mijn opa en mijzelf dank ik U voor Uw aandacht.

 

De toespraak wordt gevolgd door het lied A simple song of freedom. Gezongen door Arie zelf met ondersteuning van het Raffykoor.

 

Met het zingen van het Indisch Onze Vader worden de zeer emotionele toespraken afgesloten en gaan we over naar de ceremonie protocollaire.

De veteranen wordt gevraagd om aan te treden. Veteranen van alle leeftijden komen naar voren en stellen zich op. Respect is het enige woord dat hier bij mij opkomt.

Het signaal Taptoe, geblazen door Bart Felet, klinkt. Een minuut stilte volgt en dan Signaal Reveille.

De vlaggen gaan in top, iedereen gaat staan en alsof alle emoties eruit gezongen moeten worden klinkt Het Wilhelmus. Kippenvel om te horen hoe het volkslied vol overtuiging gezongen wordt.

 

Het laatste woord is aan de voorzitter van de Raad van Toezicht Dennis Bernard.

 

Eigenlijk heb ik niet zoveel herinneringen.

Ik ben van april 1951, geboren in Nederland in Driebergen-Rijsenburg in een kasteeltje dat dienst deed als tijdelijke opvang voor Indische Nederlanders. Bijna 7 maanden nadat mijn moeder van 27 en 3-jarig zusje met de Fairsea vanuit Indonesië aankwamen in Nederland. Mijn vader kwam kort daarna met een ander schip.

Mijn ouders Harry Bernhard en Agnes Bernhard-Courbois  praatten eigenlijk nooit over de oorlogsjaren en nog minder over de Bersiap-periode. Vele jaren later gingen ze daar bij mijn jongste broertje een beetje gemakkelijker mee om.

Mijn moeder, ook wel Let of tante Let genoemd door familie en vrienden is geboren en getogen in Soerabaja. Ze zat daar op de hbs, totdat de oorlog uitbrak. Samen met haar ouders en 3 zussen heeft ze best een leuke jeugd gehad, met vakanties naar Lawang, een toeristenplaatsje tussen Soerabaja en Malang. In de oorlog heeft ze met haar moeder en zussen in een vrouwenkamp gezeten en kort na de oorlog heeft ze helaas haar vader, Johan Courbois afkomstig uit Zwolle, moeten begraven. Hij was ziek teruggekomen uit het Jappenkamp. Na de oorlog zijn ze in Bandung terechtgekomen en daar heeft ze mijn vader leren kennen die in Tjimahi was gelegerd. Daar is ook onze zus geboren. Mijn moeder heeft daar ook nog als buschauffeuse gewerkt bij de Busdienst in Bandoeng. Een busdienst die toen voornamelijk uit vrouwen bestond en daardoor volgens mijn moeder het “Kippenhok” werd genoemd.  

Mijn vader heeft na zijn schooltijd en tijdens de 2e wereldoorlog in het Jappenkamp in Tjimahi gezeten. Zijn vader, mijn opa, kwam daar ook naartoe omdat hij zijn toen 17 jarige zoon niet alleen wilde laten. Na de oorlog brak de onafhankelijkheidsstrijd uit en moest mijn vader, toen 21 jaar, onder de wapens. Hij werd ingedeeld bij de KNIL, Infanterie Bataljon V, de Andjing Nica, met als operatiegebied Bandung en Magalang.

Zijn eerste gevechtstaak was Brenschutter en samen met zijn Brendrager vormde hij een team. Zijn brendrager was Ed Willemsen. Twee soldaten die voor elkaar door het stof gingen en ongelooflijk veel hebben meegemaakt samen. Tot aan de dood van mijn vader in 1996 zijn het beste vrienden gebleven. Oom Ed, hier naast mij gezeten, wordt door onze familie nog altijd gekoesterd als een zeer geliefd familielid.

Over de tijd in het Jappenkamp en zijn KNIL-tijd hebben we weinig meegekregen. Dat waren zwarte perioden in zijn leven, die hij het liefst achter zich liet. Hij probeerde ze te vergeten, door er niet over te praten. Zeker niet tegen zijn kinderen.

Zijn gedrag zei ons eigenlijk genoeg: hij zou nooit van zijn leven een Japanse auto kopen en hij is ook nooit meer teruggegaan naar Indonesië. Hij had er hele mooie dingen meegemaakt, maar ook heel veel minder leuke. Hier in Nederland is hij zijn hele werkzame leven in het leger gebleven en als Adjudant met pensioen gegaan en helaas te vroeg op 72 jarige leeftijd overleden.

In het boek van de Stichting Het Gebaar verwijst de voorzitter naar een zin in het boek Sleuteloog van Hella Haasse:

“Heeft het zin op te rakelen wat voor niemand meer invoelbaar is?”

Ook mijn antwoord daarop is volmondig JA. Ook ik ben van de generatie die het niet heeft meegemaakt. Maar wij en onze kinderen en kleinkinderen kunnen nu wel beter begrijpen wat onze ouders en grootouders hebben meegemaakt. Het heeft hun mede gevormd en dus ook ons, hun nakomelingen, gemaakt tot de mensen die wij nu zijn.

Wij zijn hun dankbaar dat wij door hun opofferingen de kans hebben gekregen op een leven waarin wij de mogelijkheden hebben gehad om een beter leven te hebben dan zij in een belangrijke fase van hun leven hadden. De weinige herinneringen, die ik heb deel ik met mijn kinderen en kleinkinderen, zodat ze altijd de geschiedenis van hun voorouders zullen kennen. 

Terima kasih atas perhatian Anda/Dank voor uw aandacht.

 

Met het leggen van bloemstukken door verschillende organisaties komt er een einde aan de herdenking.  Ter afsluiting wordt zoals altijd het lied We’ll meet again door het Raffykoor gezongen en we bereiden ons voor op het defilé.  Deze wordt geopend door Mevrouw Tessensohn, bewoonster van Raffy begeleid door verzorgende Tricia en Dennis Bernard. Daarna krijgt iedereen de mogelijkheid om zelf meegebrachte bloemen of de aangeboden chrysanten bij het monument te leggen.

Het Raffykoor blijft zingen tijdens het defilé en verschillende bezoekers blijven in de tent zitten luisteren. Anderen snellen naar binnen om een plekje te bemachtigen, wat helaas niet altijd mogelijk is. Want het is druk; erg druk. Maar als na het defilé de tent wordt heringericht met zitjes en statafels, verspreiden de bezoekers zich en is er plaats voor iedereen. Chapeau vrijwilligers van Arjati en Raffy hoe jullie op een geruisloze manier alles in goede banen weten te leiden. .

De burgemeester maakt nog tijd om met de kinderen van KBS Kievitsloop in gesprek te gaan en complimenteert ze met hun aanwezigheid en hun betrokkenheid.  Stichting Arjati is hem zeer erkentelijk dat hij in zijn vakantie rekening heeft gehouden met de Indië Herdenking. Het voelt goed dat de gemeente Breda de Indië Herdenking volledig heeft omarmd.

Ontmoeting is in volle gang. De toespraken hebben vele deksels van potjes afgehaald en er worden verhalen verteld over en weer. De tentoonstellingen van Will van de Corput en van het Indisch Museum worden druk bezocht en bij de tafels met Molukse verhalen en foto’s worden ook allerlei verhalen uitgewisseld. Ook bij de boekentafel, terug van weggeweest,  is het druk en menig bezoeker gaat met een boek naar huis.

Om half 5 worden de drie buffetten geopend. Meer dan 400 maaltijden zijn voor deze dag bereid en aan het einde van de dag was alles op. Na de maaltijd maken de bezoekers langzaamaan aanstalten om naar huis te gaan en tegen half 7 blijft er nog een kleine groep over. Ondertussen wordt door medewerkers van Raffy en vrijwilligers van Arjati en Raffy schoongemaakt, opgeruimd en alles op de plaats terug gezet. De saamhorigheid is groot en er wordt nog even hard gewerkt, maar dan kunnen we moe maar voldaan naar huis.

Het was een mooie, gedenkwaardige dag. Een dag dat iedereen overal zijn schouders  onder zette. Een dag dat iedereen net dat stapje extra zette om er iets moois van te maken.

Allemaal, maar dan ook echt allemaal, die op een of andere manier heeft bijgedragen aan het slagen van de Indië Herdenking dank jullie wel!

 

Magda Wallenbrg,

voorzitter Stichting Arjati

 

 

 

 

 

1 reactie op “15 Augustus 2018: Indië Herdenking Breda

  1. Ellen van Nispen.
    20 augustus 2018 om 20:29

    ,
    Herinnering wordt geschiedenis, de ceremonie,de verhalen, de muziek, alles zo ingetogen en vol emotie,
    Heel indrukwekkend en mooi om alles terug te lezen.
    Dank je wel voor dit verslag..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.